Het aanspelen van een squashbal.
Buiten het onderwijs worden in lessen de ballen vaak aangegeven
door de leraar. In het onderwijs, waar met grotere groepen wordt gewerkt
kan dit niet en zullen de leerlingen elkaar de bal aan moeten (leren)
spelen.
Het oefengedeelte van een les staat of valt vaak met de vaardigheid van
medeleerlingen om een ander een bal zo aan te kunnen spelen dat deze kan
oefenen. Immers; is de aangespeelde bal niet goed, dan kan de ander eenvoudigweg
niet oefenen en is hij drukker met het “überhaupt” kunnen
raken van de bal dan met het verbeteren van een of ander (technisch) aandachtspunt.
Het sleutelwoord om te kunnen oefenen is regelmaat. Hoe krijgt de leerlingen
die oefent regelmatig aankomende ballen ?
"Vanuit
het oogpunt van motorisch leren kan het wenselijk zijn juist op wisselend
aankomende ballen te oefenen. Een beginnende leerling heeft in eerste
instantie het meest baat bij regelmaat. Als het lukt om die ballen goed
terug te spelen, kan er wat meer worden gevarieerd."
Sommige leerlingen hebben hun eigen manier van aanspelen
en kunnen daar behoorlijk regelmatig mee zijn. Als dat zo is dan kun je
dat best zo laten. Maar vaak zie je dat er geen regelmaat is en dan kan
er met wat sturing vanuit de docent snel verbetering worden geboekt.
Tips waarmee de kans wordt vergroot dat de bal goed wordt
aangespeeld.
1. pas de speelafstand aan; maak deze,
indien mogelijk, wat kleiner, zodat er minder vaart nodig is om de bal
op de afgesproken plaats te krijgen
2. lukt aanspelen echt niet, dan kan de leerling de bal ook
onderhands aangooien; dit werkt uiteraard alleen als de speelafstand
dat toelaat .
"Let erop dat de leerling
met links uitstapt als hij rechts aangooit. Hij oefent zo spelenderwijs
het uitstappen met het goede been."
3.
werk met mikpunten voor de aangever; door bijvoorbeeld
de opdracht te stellen dat de bal voor de servicelijn moet stuiten geef
je de leerling een richtpunt waaraan hij kan zien of hij te hard dan
wel te zacht aanspeelt (let op; zorg ervoor dat degene die moet oefenen
op de juiste plaats staat t.o.v. dat mikpunt; vaak staan ze er te dicht
bij!)
4. ga ingedraaid klaarstaan met je racket achter; de
zwaaibeweging van je racket is eenvoudiger (alleen nog maar naar voren)
5. laat de bal stuiten op de plaats waar je hem wilt raken;
meestal laten leerlingen de bal te dicht bij zichzelf vallen. Laat de
bal met een gestrekte arm de bal laten vallen.
6. gooi de bal niet naar de grond, maar laat hem vallen;
dat is een eenvoudiger en leidt tot minder afwijkingen voor de aangever
zelf
7. speel ballen liever wat zachter en hoger op de muur aan dan
lager en harder; het geeft degene die oefent meer tijd om nog
te anticiperen op de aankomende bal en je hoeft zelf minder hard te
slaan wat eerder tot afwijkingen leidt.
8. speel, vooral bij beginners, met een bal met een blauwe stip;
deze stuit van nature hoger op en dat is bij squash gemakkelijker. Speel
ook liever met één bal dan met meerdere. Een eigenschap
van een squashbal is dat het stuitend vermogen toeneemt als de bal warm
is geslagen.
9. sommige leerlingen vinden het prettiger om de bal via de
zijmuur voor zichzelf op te gooien en dan aan te spelen; let
wel; niet iedereen vindt dit gemakkelijker! Vaak is de reden hiervan
dat ze zichzelf wat meer tijd geven om een volledige slag te kunnen
maken, dus met het naar achteren brengen van het racket erbij.
10. stop een teruggeslagen bal af; probeer niet te
snel de bal in een rally aan te geven tenzij de teruggeslagen bal perfect
aankomt en er voldoende controle is bij de aangever om de volgende bal
weer op maat aan te spelen.
11. speel aan de backhand kant met de backhand aan;
dit verdient de voorkeur, omdat je beter in staat bent om de bal aan
de muur aan te spelen en zelf ook de vaak moeilijkere backhand spelenderwijs
extra oefent. Voor de meeste leerlingen is dit echter te moeilijk.
Uitgangspunt blijft regelmaat voor degene die oefent. Lukt het dus niet,
dan zal de aangever met de rug tegen de zijmuur met de forehand moeten
aanspelen of zelfs aan moeten gooien
12. zet de betere speler bij een mindere; dit zorgt
ervoor dat de mindere speler waarschijnlijk meer goede ballen krijgt
en dus sneller progressie boekt. Daarnaast is de betere speler ook beter
instaat om van een matig aangespeelde bal nog wat te maken. Vaak kiezen
leerlingen er echter voor om elkaar qua spelniveau homogeen te verdelen.
Dit is voor een spelgedeelte nog niet zo gek, maar voor een oefengedeelte
kan het geen kwaad om de niveaus juist te mixen.
13. overnemen door de leraar; mocht een leerling ondanks
alle bovengenoemde maatsregelen niet in staat zijn om een bal goed aan
te spelen, dan kan de leraar af en toe het aanspelen kort overnemen
om de leerling die oefent toch de gelegenheid te bieden om wat ballen
te raken.
|